Signaleren is het bepalen of de ontwikkeling van een kind achterloopt ten opzichte van die van zijn leeftijdsgenootjes. Dit gebeurt door ouders, leerkrachten of andere betrokkenen bij het kind. In het kader van signalering zijn verschillende onderzoeksmiddelen beschikbaar: observatie van het kind met behulp van schema’s van de ontwikkeling, het stellen van vragen aan de ouders over de taalontwikkeling van hun kind of een combinatie van deze. Men kan de ouders ook invullijsten meegeven (Slofstra-Bremer, 2006)
Screenen is een eenvoudige manier van onderzoek doen in een in principe gezonde populatie. Bij screening is er geen hulpvraag; men screent een groep kinderen van een bepaalde leeftijd om de kinderen met een mogelijk taalprobleem op te sporen (Slofstra-Bremer, 2006) Het is een snelle en globale manier van kansbepalend onderzoek en risico inschatting. Een screeningstest heeft als doel voorstadia of risicofactoren van een taalprobleem op te sporen bij het kind (Vandenbroucke & Hofman, 2000). Een bruikbaar screeningsinstrument moet beschikken over een goede sensitiviteit en specificiteit (Luinge, 2005). De sensitiviteit is de kans dat een kind met een taalprobleem met de screeningstest ook gedetecteerd wordt als zodanig. De specificiteit is de kans dat het kind dat geen taalprobleem heeft ook een negatieve uitslag op de test heeft. Na screening is verder diagnostisch onderzoek nodig om vast te stellen of er bij het kind daadwerkelijk sprake is van de aanwezigheid van een taalprobleem (Slofstra-Bremer, 2006; Luinge, 2005).
Referenties:
Luinge, M.R. (2005). The Language-screening instrument SNEL. Dissertation Rijksuniversiteit Groningen. (digitaal verkrijgbaar)
Slofstra-Bremer, C.F. (2006). Diagnostiek bij specifieke taalontwikkelingsstoornissen. Handboek stem-spraak-taalpathologie, Bohn Stafleu van Loghum.
Vandenbroucke, J.P. & Hofman, A. (2000). Grondslagen der epidemiologie (pag. 57-81). Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg.